Voorbereiding voor het gebed

 

Exodus 30:18-21: Gij nu zult een vat van koper maken met een voetstuk van koper, voor de afwassingen, het plaatsen tussen de tent der samenkomst en het altaar, en daar water in doen. En Aron en zijn zonen zullen daarin hun handen en voeten wassen. Wanneer zij naar de tent der samenkomst komen, zullen zij zich met water wassen, opdat zij niet sterven; of wanneer zij naderen tot het altaar, om dienst te doen en een vuuroffer in rook te doen opgaan voor de HERE. Zij zullen dan hun handen en voeten wassen, opdat zij niet sterven; het zal voor hen een al-toosdurende inzetting zijn, voor hem en voor zijn nakomelingen naar hun geslachten. Vrienden, bidstondwerk is heilig werk en heilig werk moet heilig verricht worden. En als dat niet gebeurt is bidden niet aangenaam voor God. Aan een goede, fijne, gezegende bidstond gaat iets vooraf. Als we niet voldoende zijn voorbereid is dit merkbaar op de bidstonden. Aron en zijn zonen waren door God uitverkoren om het priesterambt te verrichten. Zij mochten tot het altaar naderen en altaardiensten verrichten. Zij mochten offers van het volk tot God brengen en de zegen van God op het volk leggen. Zij bemiddelden dus tussen het volk en God en tussen God en het volk. W··rom hadden Aron en zijn zonen deze grote onderscheiding van God gekregen? Waren zij vromer? Waren zij heiliger? Waren zij meer geliefd bij God? Hadden zij deze onderscheiding aan hun goede werken te danken? Nee! Vrienden, u weet toch dat Aron het gouden kalf maakte (Exodus hoofdstuk 32). Zij waren niet vromer! Zij waren niet heiliger! Zij waren niet beter! Nee, zij hadden hun ambt te danken aan een Goddelijke roeping. Zij waren door God afgezonderd en geheiligd. Zij stonden dus niet voor het altaar vanwege hun eigen goede werken; hun eigen heiligheid, hun eigen grootheid. Maar alleen omdat ze een Goddelijke roeping hadden. God had hun voor dit heilige ambt geroepen en d··rom hadden zij het recht om tot het altaar te naderen. En nu wilde God dat zij, vÛÛrdat zij tot het altaar naderden om hun ambt uit te oefenen, zich voorbereidden. En dat voorbereiden moesten zij doen bij het koperen wasvat dat stond tussen de tent der samenkomst en het altaar. Het wasvat was voor de priester een stopplaats ofwel een halte. Voor zij naar het altaar gingen moesten zij zich voorbereiden. VÛÛrdat de priester kon dienen moest hij zichzelf reinigen. Het was zelfs zo dat ze met de dood werden bedreigd als ze niet eerst bij het wasvat waren geweest. God had dus dat wasvat gegeven voor een belangrijk doel. Het koperen wasvat was dus een groot geschenk van God. Door het wasvat was het priesterschap van Aron en zijn zonen geen vloek of ondergang maar een zegen en een heerlijkheid om te doen. Vers 21 zegt dat de dienst van dat koperen wasvat een eeuwige inzetting zou zijn. Nu is het priesterschap zoals dat toen ging niet opgeheven omdat er geen priesters meer waren, maar omdat God het priesterschap voor alle gelovigen heeft ingevoerd. 1 Petrus 2:9 zegt: Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk (Gode) ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht. Gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk. Dat wil zeggen: Wij gelovigen zijn allemaal geroepen, geheiligd en opzij gezet om te dienen. De tempel is er niet meer want dat zijn wijzelf. Het koperen wasvat staat er niet meer. Wij verrichten geen dienst meer bij een stenen altaar. Maar daarom is ons priesterlijk ambt niet minder werkelijk of minder belangrijk geworden. Want als wij op de bidstonden komen dan zijn wij priesters en priesteressen die in het heiligdom Gods dienen. U bent dus geen priester vanwege uw eigen heiligheid of braafheid omdat u nu zo heilig of goed bent. Nee, u bent een priester(es) door een Goddelijke roeping. Hebreeën 10:19 zegt: Daar wij dan, broeders, volle vrijmoedigheid bezitten om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus. Wij moeten dus dienen bij het altaar vanwege wat Jezus Christus voor ons heeft gedaan. Wij mogen niet bij het altaar komen als we niet eerst bij het wasvat zijn geweest. Wij moeten dus ÈÈrst zelf gereinigd worden door het bloed van Jezus voordat we mogen dienen bij het altaar. Dit is de voorbereiding die aan een goede bidstond voorafgaat. Met andere woorden, als er dingen niet goed zijn dan moet je dat niet in of n· de bidstond opruimen. (Tenzij u voor het eerst komt). Dit moet je vÛÛr de bidstond doen. VÛÛrdat je gaat dienen bij het altaar moet je je wassen bij het wasvat. Voordat we komen om te bidden als priesters en priesteressen moeten we ons voorbereiden en ons zelf eerst reinigen. Is het niet heerlijk dat er reiniging is? Laten we er dan ook altijd gebruik van maken. Het is niet nodig om met vuile handen naar het altaar te gaan. En dat mag ook niet! Toen was er gelegenheid (wasvat). Nu is er gelegenheid (het bloed van Jezus Christus). Hoe beter we zijn voorbereid des te beter zal ook de bidstond zijn.