Bijbelse waarheden over de huisvrouw
Die een vrouw gevonden heeft, heeft een goede zaak gevonden, en
hij heeft welgevallen verworven van de HERE.
Spreuken 18:22
Evenzo gij vrouwen, weest uw eigen mannen onderdanig,
opdat ook indien sommigen aan het woord niet gehoorzaam zijn,
zij door de wandel der vrouwen zonder woorden gewonnen worden,
doordat zij uw reine en godvrezende wandel opmerken.
Uw sieraad zij niet uitwendig: het vlechten van het haar, het
omhangen van goud of het dragen van gewaden,
maar de verborgen mens uws harten, met de onvergankelijke (tooi)
van een zachtmoedige en stille geest, die kostbaar is in het oog
van God.
Want aldus tooiden zich ook weleer de heilige vrouwen, die hoopten
op God, onderdanig aan haar mannen,
zoals Sara Abraham gehoorzaamde en hem heer noemde; en haar dochters
zijt gij als gij goed doet en u geen schrik laat aanjagen.
Desgelijks gij mannen, leeft verstandig met uw vrouwen, als met
brozer vaatwerk, en bewijst haar eer, daar zij ook medeërfgenamen
zijn van de genade des levens, opdat uw gebeden niet belemmerd
worden.
1 Petrus 3:1-7
Geniet het leven met de vrouw die gij liefhebt, al
de dagen van uw ijdel leven, welke God u gegeven heeft onder de
zon, al uw ijdele dagen; want dit is uw deel in dit leven, en
van uw arbeid dien gij arbeidt onder de zon.
Prediker 9:9
Gij vrouwen, zijt uw eigen mannen onderdanig, gelijk
het betaamt in de Here.
Kolossenzen 3:18
Uw huisvrouw zal wezen als een vruchtbare wijnstok
aan de zijde van uw huis; uw kinderen als olijfplanten rondom
uw tafel.
Psalm 128:3
De man kome jegens de vrouw zijn (echtelijke) verplichtingen na
en evenzo de vrouw jegens haar man.
1 Korinthiërs 7:3
Uw bron zij gezegend; en verblijd u vanwege de huisvrouw
uwer jeugd, een zeer liefelijke hinde en een bekoorlijke ree;
laat haar borsten u te allen tijde vreugdedronken maken; wees
verrukt over haar liefde.
Spreuken 5:18,19
Elkander onderdanig zijnde in de vreze Gods.
Gij vrouwen, weest aan uw eigen mannen onderdanig, gelijk aan
de Here,
want de man is het hoofd van de vrouw, gelijk ook Christus het
hoofd der gemeente is; en hij is de behouder des lichaams. Daarom,
gelijk de gemeente aan Christus onderdanig is, alzo ook de vrouwen
aan haar eigen mannen in alles.
Gij mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de
gemeente liefgehad heeft en Zichzelf voor haar heeft overgegeven,
opdat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende door het
bad des waters met het Woord,
opdat Hij haar Zich heerlijk zou voorstellen, een gemeente, die
geen vlek of rimpel heeft of iets dergelijks, maar dat zij heilig
zal zijn en onberispelijk.
Alzo zijn de mannen schuldig hun eigen vrouwen lief te hebben
gelijk hun eigen lichamen. Wie zijn eigen vrouw liefheeft, die
heeft zichzelf lief.
Want niemand heeft ooit zijn eigen vlees gehaat, maar hij voedt
het en onderhoudt het, gelijk ook de Here de gemeente.
Want wij zijn leden van Zijn lichaam, van Zijn vlees en van Zijn
beenderen.
Daarom zal een mens zijn vader en moeder verlaten, en zal zijn
vrouw aanhangen, en die twee zullen tot één vlees
wezen.
Dit geheimenis is groot, doch ik zeg dit, ziende op Christus en
op de gemeente.
Zo dan ook gij, elk in het bijzonder, een ieder hebbe zijn eigen
vrouw zó lief als zichzelf; en de vrouw moet ontzag hebben
voor haar man.
Efeziërs 5:21-33
Wie zal een deugdelijke huisvrouw vinden? Want haar waarde is
ver boven de robijnen.
Het hart van haar heer vertrouwt op haar, zodat geen goed hem
zal ontbreken.
Zij doet hem goed en geen kwaad, alle dagen van haar leven.
Zij zoekt wol en vlas, en werkt met vaardige handen.
Zij is als de schepen van een koopman, zij doet haar brood van
verre komen.
En zij staat op terwijl het nog nacht is, en geeft haar huis spijze,
en aan haar dienstmaagden het haar toekomende deel.
Zij denkt om een akker en krijgt hem; van de vrucht van haar handen
plant zij een wijngaard.
Zij gordt haar lendenen met kracht, en zij versterkt haar armen.
Zij bemerkt dat haar koophandel goed is; haar lamp gaat des nachts
niet uit.
Zij steekt haar handen uit naar de spil, en haar handpalmen vatten
de spinrok.
Zij breidt haar handpalm uit tot de ellendige, en zij steekt haar
armen uit naar de nooddruftige.
Zij vreest voor haar huis niet vanwege de sneeuw, want haar ganse
huis is met dubbele klederen bekleed.
Zij maakt voor zich tapijtsieraad; haar kleding is fijn linnen
en purper.
Haar man is bekend in de poorten, als hij zit met de oudsten des
lands.
Zij maakt fijn lijnwaad en verkoopt het, en zij levert de koopman
gordels.
Sterkte en heerlijkheid zijn haar kleding, en zij lacht over de
komende dag.
Zij doet haar mond open met wijsheid, en op haar tong ligt vriendelijke
onderwijzing. Zij beschouwt de gang van haar huishouding, en
het brood der luiheid eet zij niet.
Haar kinderen staan op en roemen haar welgelukzalig; ook haar
man, en hij prijst haar, zeggende:
Vele dochters hebben deugdelijk gehandeld, maar gij gaat die allen
te boven.
De bevalligheid is bedrog, en de schoonheid ijdelheid; maar een
vrouw die de HERE vreest, die zal geprezen worden.
Geef haar van de vrucht van haar handen, en laat haar werken haar
prijzen in de poorten.
Spreuken 31:10-31
Een kloeke huisvrouw is een kroon van haar heer; maar die beschaamd
maakt is bederf in zijn beenderen.
Spreuken 12:4
Elke wijze vrouw bouwt haar huis; maar die zeer dwaas
is, breekt het af met haar handen.
Spreuken 14:1
Huis en goed is een erfdeel van de vaderen; maar een
verstandige vrouw is van de HERE.
Spreuken 19:14