Wat te doen als u zich boos voelt?

Zo dan, mijn geliefde broeders, een ieder zij snel om te horen, traag om te spreken, traag tot toorn; Want de toorn van de man werkt Gods gerechtigheid niet.
Jakobus 1:19,20

Wordt toornig, maar zondigt niet; de zon ga niet onder over uw toorn.
Efeziërs 4:26

Een zacht antwoord keert de grimmigheid af; maar een krenkend woord doet de toorn oprijzen.
Spreuken 15:1

Indien degene die u haat, hongert, geef hem brood te eten; en zo hij dorstig is, geef hem water te drinken; want gij zult vurige kolen op zijn hoofd hopen, en de HERE zal het u vergelden.
Spreuken 25:21,22

Want indien gij de mensen hun misdaden vergeeft, zo zal uw hemelse Vader ook u vergeven.
Matthéüs 6:14

De lankmoedige is groot van verstand; maar wie kortaangebonden is, hoopt dwaasheid op.
Spreuken 14:29

De lankmoedige is beter dan de sterke; en wie heerst over zijn geest, (is beter) dan wie een stad inneemt.
Spreuken 16:32

Wees niet haastig in uw geest om te toornen; want de toorn rust in de boezem der dwazen.
Prediker 7:9

Wreekt uzelf niet, beminden, maar geeft de toorn plaats; want er is geschreven: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, zegt de Here.
Romeinen 12:19

Want wij kennen Hem die gezegd heeft: Aan Mij is de wraak, Ik zal het vergelden, spreekt de Here. En wederom: De Here zal Zijn volk oordelen.
Hebreeën 10:30

Alle bitterheid en toorn en gramschap en geschreeuw en laster zij door u geweerd, met alle boosheid;
Maar zijt jegens elkander goedertieren, barmhartig, vergevende elkander, gelijk ook God in Christus u vergeven heeft.
Efeziërs 4:31,32

De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot is oplopend toornig, en zorgeloos.
Wie haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen, en een man van schandelijke bedenksels zal gehaat worden.
Spreuken 14:16,17

Maar nu legt gij ook dit alles af, namelijk gramschap, toorn, kwaadheid, laster, vuil spreken uit uw mond.
Kolossenzen 3:8

Doch Ik zeg u, Zo wie ten onrechte op zijn broeder toornig is, die zal strafbaar zijn door het gericht; en wie tot zijn broeder zegt: Râka (Leeghoofd), die zal strafbaar zijn door de Hoge Raad; maar wie zegt: Gij dwaas, die zal strafbaar zijn door het hellevuur.
Zo gij dan uw gave op het altaar zult offeren, en aldaar gedachtig wordt, dat uw broeder iets tegen u heeft, laat daar uw gave voor het altaar, en ga heen, verzoen u eerst met uw broeder, en kom dan en offer uw gave.
Matthéüs 5:22-24

Laat af van toorn en verlaat de grimmigheid; ontsteek u niet (in ergernis), om daarmee immers kwaad te doen. Psalm 37:8